Fiets+trein: belasting voor het stadshart

Bestuurlijk Nederland zet al jaren in op OV, fiets en de combinatie van beide. Met de fiets naar en/of van het treinstation wordt alom gezien als een goed alternatief voor de auto.

Men gaat voorbij aan het ruimtebeslag op de nijpendste plekken van het land: de binnensteden.

Er is steeds meer ruimte nodig om het grote aantal fietsen te stallen1.

Alle vormen van fietsenstallingen hebben een of meer stevige nadelen:

  • rekken op het maaiveld: rommelig, neemt veel ruimte in beslag, hinder voor voetgangers;
  • fietsflat of afgedankte veerpont2: best lelijk;
  • ondergronds: erg duur, of inpandig-bovengronds: duur en neemt ruimte in beslag.

Deze nadelen worden te weinig erkend.

Een treinstation en de spoorlijnen eisen al veel ruimte op. De fietsenstallingen komen daar bij.

We moeten ons afvragen wat beter is voor de stad: het stadshart in fietsen, de fiets stallen en de trein nemen of met de auto de stad uit rijden.

De eerste optie legt een groter beslag op de ruimte in de binnenstad en vergt meer publiek geld3.

1 In het voortransport nemen de reizigers steeds vaker de fiets, in ‘00 was het aandeel 30 procent, in ‘13 al 45 procent. Die groei gaat ten koste van het stedelijke OV; dat aandeel was 20 procent in ‘13.

Bij het natransport kiest 11 procent voor een fiets (26 procent voor het OV). Deze laatsten staan ongeveer vier keer langer in de stationsstalling dan fietsen die worden gebruik om naar huis te fietsen. In totaal zorgt dit voor 45 procent van de stallingsdruk. bron

2 In Amsterdam

3 “In totaal hebben we ongeveer 500 miljoen euro gebruikt en we hebben tot 2030 nog 200 miljoen nodig”, schat projectmanager Folkert Piersma van ProRail in.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *